Auteursarchief: Suzan Geldhoff

Onze collectie bestaat uit ruim 8000 kunstwerken. De beschikbare kunstwerken kunnen op onze online catalogus en in de expo bekeken worden. Regelmatig lichten we een techniekgroep uit om wat meer verdieping aan het kunstkijken toe te voegen. Deze keer bekijken we de textielkunst.

Bernice Schutte, ‘Ringloop’, 1994, 33×80 cm, €6,- p/m, I7A001

Eeuwenlang werd textiel geschaard onder de kunstnijverheid: gespecialiseerd handwerk dat zowel een decoratieve als praktische functie heeft. Als eigenaar van een wandkleed met gouddraad – stel je er een landhuis omheen voor – kon je bijvoorbeeld goed pochen met hoe luxueus dit is. En hoewel de maker van dit wandkleed erg kundig moest zijn, zat er niet per definitie een artistieke visie van deze persoon zelf in. De scheiding tussen opdrachtgever en uitvoerder was hier te groot en onoverkomelijk voor. Naast deze commerciële en industriële kant van de textielgeschiedenis bestaat ook de huiselijke kant (denk bijvoorbeeld aan quilten en herstelwerken). Hier waren het voornamelijk vrouwen die zich met het bewerken en verwerken van textiel bezighielden: een zeer onderbelichte rode draad in de kunstgeschiedenis.

Muur vol textielkunstwerken in de expo ruimte.

Beeldende kunst
In de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw werd het medium textiel uit het domein van de kunstnijverheid getrokken door feministische en post-minimalistische kunstenaars. Het kreeg eindelijk langzaamaan een plaats binnen de – tot dan toe als hogere beschouwde – beeldende kunst. Kunstenaars zoals Faith Ringgold (US, 1930) en Eva Hesse (DE, 1936-1970) maakte gebruik van de seksistische geschiedenis van textiel om de gender- en machtsverhoudingen in de kunst te bevragen. Decennia en meerdere generaties textielkunstenaars verder is hun invloed nog steeds te\ zien, denk aan Tracey Emin (UK, 1963) en Paul Yore (AU, 1987). Met de zachtheid, de structuur en de veelzijdigheid van textiel kunnen zaken uitgedrukt worden, zoals geen ander beeldend medium dat kan.

Ina Sok, ‘Little Drummer Girl’, 1999, 26,5×26,5×6 cm, €6,- p/m., K1A002

Veelzijdigheid
Binnen de textielkunst bestaan er veel soorten materialen, denk bijvoorbeeld aan wol, katoen, vlas (linnen), kokosvezel, sisal, jute en (kunst)zijde. Er zijn minstens evenveel technieken om deze materialen te verwerken of te bewerken: weven, quilten, borduren, macrameeën, kantklossen, haken, tuften, knopen, vlechten en punniken zijn enkele voorbeelden hiervan. Hiernaast kan een kunstenaar ook meerdere van deze technieken combineren of zelf met naald en draad aan de slag gaan en een geheel autonoom werk creëren. In de mode wordt natuurlijk ook gebruik gemaakt van textiel, deze discipline valt echter niet onder de textielkunst, maar is een opzichzelfstaande kunstvorm.

Jan Grolleman, ‘Partanma’, 1198, 63×58 cm, €6,- p/m., H7L015

> Een greep uit de kunstenaars van wie wij textielkunst in de kunstuitleen collectie hebben

Wilma Kuil (1949), Peter Redert (1948), Leslie Gabriëlse (1940), Maria Ikonomopoulou (1961), Henk Mak (1947), Ina Sok (1959), Petra Laaper (1968), Dré Wapenaar (1961), Bernice Schutte (1966), Mariette van de Ven (1967), Jur Costanza (1994), Jan Grolleman (1954), Daan van Golden (1936-2017).

> Waar nog meer te vinden

In een oude textielfabriek in Tilburg is het TextielMuseum gevestigd. Het museum organiseert tentoonstellingen en heeft een eigen collectie, een bibliotheek, een educatie-afdeling en een TextielLab waar (inter)nationale kunstenaars en ontwerpers werken.

FacebookFacebook
instagraminstagram

Kom in juli of augustus langs met je buren, vrienden of je oma: huur beiden een kunstwerk en krijg allebei één maand gratis huur!

Zo zien jullie huizen er in de zomer ook goed uit.

Cora van Vliet, ‘Kind en Meester’, 1984, olieverf op linnen, 102 cm x 123 cm, € 12,- per maand

Voorwaarden:
Op deze actie zijn onze algemene voorwaarden van toepassing.
Voor deze actie geldt in het bijzonder:
√ Twee inschrijvingen op twee verschillende adressen.
√ Je huurt tenminste één kunstwerk per adres, voor minimaal 6 maanden.
√ Bij meer dan één werk, geldt deze actie voor het werk met de laagste huurprijs.

Ben je al lid en draag je een nieuw lid aan? Dan krijgen jullie beiden ook één maand gratis.
Deze actie is alleen geldig in juli en augustus 2022

FacebookFacebook
instagraminstagram

Onze collectie bestaat uit ruim 8000 kunstwerken. De beschikbare kunstwerken kunnen op onze online catalogus en in de expo bekeken worden. Regelmatig lichten we een techniekgroep uit om wat meer verdieping aan het kunstkijken toe te voegen. Deze keer bekijken we het olieverfschilderij.

Kees Franse, ‘De Maas’, 1953, 35 x 46 cm, € 10,- p/m, B51022

Het werken met olieverf is vrij intensief en bewerkelijk: de ondergrond moet juist voorbereid worden, de verf zelf moet gemengd, verdund en opgebracht worden, en tot slot kunnen er verschillende soort vernis op het schilderij aangebracht worden. Hierna moet het schilderij nog maanden (zo niet jaren) drogen. Zodra de lagen verf goed opgedroogd en vernist zijn kan een olieverfschilderij de tand des tijds zeer adequaat doorstaan.

Olieverf bestaat uit pigment (kleurpoeder) met lijnzaadolie als bindmiddel. Terpentine kan als oplosmiddel gebruikt worden om de verf te verdunnen. Olieverf wordt al vanaf de 12e eeuw gebruikt in Europa, toen nog met hars als bindmiddel, in combinatie met verschillende soorten natuurlijke olie.

Muur vol olieverfschilderijen in de expo ruimte.

Dunne transparante lagen
Olieverf kan in dunne penseelstreken aangebracht worden om zo verschillende, tussendoor opgedroogde, transparante kleurlagen op te bouwen. Gladde, schitterende texturen zoals water of zijde, kunnen op deze manier effectief neergezet worden in olieverf. Hetzelfde geldt voor andere ontastbare fenomenen zoals lichtval, schaduwen en kleurverloop.

Marleen Felius, ‘Vaars aan de Waterkant’, 1986, 101 x 81 cm, € 14,- p/m, B44010

Alla Prima
Olieverf kan ook alla prima gebruikt worden. Dit houdt in dat er verder geschilderd wordt aan verflagen die nog niet opgedroogd zijn en heet ook wel nat-in-nat schilderen. Verschillende kleuren olieverf worden op deze manier niet alleen op het palet gemengd, maar ook op het doek, in één uiteindelijke verflaag. Het is zaak om met deze wijze een schilderij binnen een kort tijdsbestek af te maken, zodat het niet vroegtijdig opgedroogd is. Met de nat-in-nat techniek kan er tevens goed (grovere) structuur gecreëerd worden aan de oppervlakte van een schilderij.

Overigens hoeft een schilder zich niet te beperken tot één van deze technieken, de dunne transparante lagen en de alla prima techniek kunnen naast elkaar op hetzelfde schilderij bestaan.

Trees Suringh, ‘Zelfportret’, 1958, 65 x 85 cm, € 10,- p/m, 1K2001

Olieverf in de kunstgeschiedenis
Het schilderen met olieverf beperkt zich niet tot een specifieke stijl, onderwerp of genre. Deze veelzijdigheid zorgt ervoor dat het sinds de uitvinding ervan een niet-aflatend geliefd medium is onder kunstschilders. Veel verschillende soorten schilderijen uit de kunstgeschiedenis zijn zodanig met olieverf gemaakt. Denk bijvoorbeeld aan de werken van Frans Hals (c. 1582-1666), Judith Leyster (1609-1660), Casper David Friedrich (1774-1840), Claude Monet (1840-1926) en Frida Kahlo (1907-1954).

> Een greep uit de kunstenaars van wie wij olieverfschilderijen in de kunstuitleen collectie hebben

Kees Franse (1924-1982), Nico van Bekkum (1936), Ada Breedveld (1944), Rien Bout (1937-2003), Jan Burgerhout (1919-1981), Richard Bouwman (1947), Trees Suringh (1930), Bas Coenegracht (1974), Tessa Biemans (1988), Christoph Aussems (1951), Ben Boot (1946), Piet Roovers (1924-1997), Dineke van Huizen (1963), Ellemieke Schoenmaker (1968), Hans Hollenbach (1943-1976), Mark de Weijer (163), Gerrit Davids Labots (1869-1959), Guus de Ruiter (1924-2000), Wim Strörmann (1899-1961), Beer Suringh (1903-1982), Ferdinand Erfmann (1901-1968), Otto Egberts (1949-2019), Wim Chabot (1907-1977), Arie van Geest (1948), Ab Knupker (1927-2010), John Notenboom (1947), Marina Radius (1953), Paul Wessels (1951), Ad Kikkert (1914-1995), Wim Gijzen (1941), Abdoel Rachim Ibrahim (1901-1976), Leo de Goede (1958), Cora van Vliet (1954-2006), Katinka Lampe (1963), Joop van ’t Hoenderdaal (1948), Dora Dolz (1941-2008), Sjef Toby (1936-2017), Anton Vrede (1953), Wim Motz (1900-1977), Frits Linnemann (1946-2011), Cor van Domburg (1949), Lisa van Noorden (1968), Cees Timmer (1903-1978), Peter Dijkshoorn (1953), Freek Drent (1959).

Nico van Bekkum, ‘Stilleven Terugblik’, 1981, 101 x 136 cm, € 14,- p/m, 0B8129

> Waar nog meer te vinden

Olieverfschilderijen zijn in elk museum te vinden dat kunst heeft van na pakweg de 15e eeuw. Neem bijvoorbeeld eens een kijkje in de online collectie van het Museum Boijmans van Beuningen. Of bezoek Museum de Pont in Tilburg.

FacebookFacebook
instagraminstagram

Koester jij een stille wens om echt goed te kunnen modeltekenen? Of heb je al eens het houtskool op papier gezet maar wil je weten hoe een échte kunstenaar te werk gaat? Bij Thuis in Techniek, de wisselende expositie bij Kunstuitleen Rotterdam die elke keer een andere techniekgroep uitlicht, draait het dit keer om tekenen. En dus ging Patrick Kooiman onlangs naar het Rotterdamse atelier van Juul Kraijer, een van de beste modeltekenaars die Nederland rijk is.

Tekst en foto: Patrick Kooiman (Interiorator)

Tekende je als kind ook al?
Jazeker! Ik leende dan kunstboeken uit de bieb en ging dan mijn favoriete afbeeldingen natekenen. Niet dat ik als kind alleen met hoge kunst bezig was hoor, ik tekende ook graag foto’s van popsterren na. Maar ik heb destijds wel ontzettend mijn best gedaan om het tekenen in de vingers te krijgen. Ik ging net zolang door tot het helemaal fotorealistisch was.

Had je ook een goede tekenleraar?
Twee zelfs! Op de middelbare school in Assen waar ik zat, had ik een ontzettend fijne leraar voor wie lesgeven in tekenen echt een serieuze aangelegenheid was. Daarnaast had ik nog een tekenleraar bij de cursussen die ik in die tijd volgde. En ik kan je zeggen dat het me later allemaal van pas is gekomen.

Portretfoto van Juul Kraijer, © de kunstenaar zelf

Veel mensen komen helemaal tot rust tijdens het tekenen omdat ze in het ‘nu’ zijn en nergens anders aan hoeven te denken. Hoe is dat voor jou?
Het hangt ervan af in welk stadium van een tekening ik zit. Als ik aan het modeltekenen ben, zit ik met mijn gedachten inderdaad helemaal in het ‘nu’. Dan is mijn aandacht helemaal gevangen en kan mijn geest gaan freewheelen. Het is heerlijk om in een flow te zitten, op het verslavende af. Je houdt een deel van je hersencellen bezig met één enkele taak, waardoor de rest de vrijheid krijgt om als een vlieger de lucht in te gaan.

Ja, dat gevoel herken ik direct! Bij schilderen heb je dat minder, begreep ik he?
Dat klopt, een schilderij moet je goed plannen terwijl je met een tekening direct resultaat hebt. Je ziet wat je hebt gedaan en kunt er meteen correcties op maken. Mijn werk is één en al correctie. Zo ontstaat het.

Is dat de reden dat je veel met houtskool werkt? Daarmee kun je makkelijk dingen aanpassen.
Nee, ik teken met houtskool omdat ik daar gewoon ontzettend van houd. Maar goed, dat makkelijke corrigeren is wel één van de redenen, hoor. Ik bouw mijn tekeningen op door eindeloos te verbeteren, weg te halen en opnieuw aan te brengen. En dat kan ik telkens direct doen, terwijl je met verf rekening moet houden met droogtijden en elke laag goed moet plannen. Dat is niet mijn ding.

En wat maakt dat je lange tijd specifiek hebt toegelegd op modeltekenen?
Dat zat er al vroeg in. Tijdens de cursussen die ik in mijn jonge jaren in Assen volgde, was er een aantal keer een naaktmodel om te tekenen. Echt te gek vond ik dat, met name omdat ik in de kunstboeken die ik in die tijd leende had gezien hoe de grote kunstenaars naar model tekenden.

Het viel me op dat je ook andere elementen toevoegt aan je tekeningen. Wat maakt dat je dat doet?
Al die ‘waarom’ vragen zijn niet makkelijk te beantwoorden voor kunstenaars. Ik zie een beeld eerst in mijn hoofd voor me. Dat gaat vrij intuïtief. Het doemt op en het is er. Als het beeld is dat me aanspreekt, dan voel ik me uitgedaagd om het met een tekening in onze wereld te brengen.

Studio Juul Kraijer

 

Is het resultaat altijd wat je in je hoofd had?
Nee, het wordt bijna altijd anders. Het beeld in je hoofd is ook niet iets wat je centimeter voor centimeter af kan scannen. Het is eerder een idee.

Maar ben je wel altijd tevreden of denk je weleens, nou…deze toch maar niet?
Met de tekeningen die de eindstreep halen, ben ik sowieso tevreden. Sommige blijven steken, met name in de schetsfase. Ik maak veel schetsen en voorstudies, omdat de uitwerking tot een uiteindelijke tekening enorm tijdrovend is.

Hoeveel uur besteed je dan gemiddeld aan een tekening?
Dat vind ik moeilijk om te zeggen. En het is ook niet zo dat ik alle uren die ik ermee bezig ben, daadwerkelijk aan het tekenen ben. Ik kan ook lang kijken voordat ik teken. En soms heb ik het nodig om een tekening een tijd weg te hangen zodat ik er later met een frisse blik opnieuw naar kan kijken. Maar goed, een snelle schets kan ook heel veel kracht hebben, hoor. Met zulke directe lijnen is het handschrift van de kunstenaar veel zichtbaarder.

Je zei ooit, een tekening hoeft anatomisch niet te kloppen maar moet wel overtuigend zijn. Maar hoe weet je dan dat iets overtuigend is?
Daar heb ik geen letterlijke definitie voor. Het is iets wat ik bepaal door ernaar te kijken. Heeft een tekening wel genoeg impact? Zitten er geen storende elementen in? Dat kunnen anatomische incorrecties zijn, maar ook een gebrek aan focus. In zo’n geval is de aandacht van de kijker niet gericht op het meest essentiële deel van het werk. En dan zit er niks anders om dan om dat bij te stellen.

Het valt me ook op dat je relatief weinig achtergronden tekent. Is dat een bewuste keuze?
Ja, bij mij werkt dat gewoon niet. Ik heb vroeger wel van alles geprobeerd. Maar het sterkste voor mij is toch het meest minimale.

Juul Kraijer, ‘De Engel van de Schepping…’, 1986, 93 x 123 cm, € 14,- p/m, I1X001

Wat kun je vertellen over het werk van je dat te leen is bij Kunstuitleen Rotterdam?
Het is een werk dat ik eind jaren ‘90 maakte na een reis naar Ecuador. In het museum in de hoofdstad Quito zag ik een waanzinnige collectie pre-Columbiaanse keramiek. Onder andere prachtige beeldjes van vicuñas. De tekening laat een vrouwenfiguur zien wiens vingers getransformeerd  zijn in iets wat op vicuñabeeldjes lijkt. Ze speelt ermee en laat ze iets uitbeelden wat in haar zelf omgaat – als een soort plaatsvervangers.

Als ik er zo op terugkijk, zou ik sommige dingen nu anders doen. Zo is het soort gezicht dat ik teken, door de jaren helemaal veranderd. De trekken zijn veel minder uitgesproken geworden. Ik werk nu ook minder met contourlijnen maar meer met de grijstonen die in de vlakken zitten.

Als je op zo’n niveau tekent als jij, is er dan nog wel een uitdaging?
De laatste tijd lag mijn uitdaging met name in andere technieken zoals collage, fotografie en sculptuur. Het liefst zou ik mezelf opsplitsen in 5 of 6 Juulen die allemaal een techniek doen – en dan het liefst nog eentje extra die de administratie doet! Maar helaas kan dat niet en dus moet ik kiezen wat ik doe. Op dit moment ben ik met videowerk bezig en houd ik me bezig met visual effects. Dat had ik nog nooit gedaan, tot nu toe was alles altijd in mijn foto’s en video’s ‘echt’. In het verleden hield ik me verre van het digitaal manipuleren van beeld. Maar als kunstenaar moet je nooit dogmatisch zijn. Je kunt de nieuwe dingen die je leert, ook weer goed gebruiken bij de techniek die je al beheerst. Zo ontdekte ik dat ik door het maken van sculpturen vervolgens weer beter leerde tekenen. Dan zag ik bijvoorbeeld een hoofd voor me dat ik in gedachten kon draaien en kantelen zodat ik precies wist waar het licht valt. Dat kon ik voorheen niet!

Kun je tot slot nog jouw gouden modeltekentip delen?
Voor beginnende tekenaars is het moeilijk om alles anatomisch kloppend te krijgen. Een belangrijke reden hiervoor is dat alles wat je ziet, subjectief is. Wat jij ziet, wordt bepaald door wat je het belangrijkst vindt aan een mens. Iemand zonder tekenervaring zal bijvoorbeeld een voorhoofd maar heel klein tekenen. Want ja, wat is daar nu interessant aan? Je kijkt veel eerder naar de ogen, de mond en de neus. Die worden dan naar verhouding veel groter. Mijn gouden tip is dat je dat moet leren uit te schakelen door heel objectief te kijken. Puur naar de vorm.

FacebookFacebook
instagraminstagram

Onze collectie bestaat uit ruim 8000 kunstwerken. Je kan de beschikbare kunstwerken op onze online catalogus en in de expo bekijken. Elke maand lichten we hier een techniekgroep uit om wat meer verdieping aan het kunstkijken toe te voegen. Deze keer bekijken we de tekening.

Willem Stoop, ‘Schemering’, 1983, 94 x 125 cm, €10,- p/m, 1J8059

Het mooie van tekenen is dat je er qua tools erg weinig voor nodig hebt: potlood en papier. Of nog basaler, enkel wat stenen om mee te kerven. Een zigzag patroon op een schelp gekerfd, is één van de oudste kunstwerk bekend. Het dateert van rond de half miljoen jaar geleden en werd in 1891 op Java gevonden. Een ander voorbeeld van vroege tekeningen zijn rotstekeningen. Op deze wijze werd de tekening tienduizenden jaren geleden al gebruikt als communicatiemiddel, zelfs lang voordat taal zich ontwikkelde. Het laat zien dat in de mens de drang tot zelf expressie niet te stuiten is en dat alles wat voorhanden is hier voor ingezet kan worden.

Muren vol tekeningen in de expo ruimte

De meest gangbare materialen waar mee getekend kan worden zijn potlood, houtskool, (pastel)krijt, stift en inkt. De meest voorkomende drager is papier. De verschillende soorten materialen die gebruikt worden om te tekenen, laten zich qua stijl niet makkelijk in een hokje stoppen. Zo kan met houtskool zeer los en grof geschetst worden, maar kan er met dit materiaal ook verrassend gedetailleerd een onderwerp neergezet worden. Inkttekeningen kunnen grafisch en strak zijn, of juist dromerig en schetsmatig. Een kader komt tot leven door middel van arceren, of het invullen met verschillende grootte stippen. Soms is wat er niet getekend is even belangrijk als wat er wel getekend is. Dit wordt negatieve ruimte genoemd: een leeg vlak in een tekening (of ander kunstwerk) dat dient als ademruimte of juist als contrast voor het afgebeelde onderwerp.

Noni Lichtveld, ‘Anansi’, 1993, 48 x 58 cm, €6,- p/m, H5P004

Hoe wel de tekening als expressief middel al gigantisch oud is, werd het in de kunstwereld pas serieus genomen als opzichzelfstaand medium aan het einde van de vijftiende eeuw. Tot deze tijd werd de tekening vooral ingezet als basis – een voorschets – voor een kunstwerk in een ander medium, zoals een schilderij, mozaïek of wandkleed. De ontwikkeling en opkomende populariteit van het tekenen als kunstvorm in de vijftiende eeuw, is een gevolg van het breed beschikbaar worden van papier. In die tijd waren het vooral portretten en landschappen die getekend werden, later kwamen daar stillevens, figuurvoorstellingen en fantasiescene’s bij. De tekening was eeuwenlang ook uitermate in trek voor illustratieve doeleinden, tot de fotografie deze rol grotendeels overnam in de negentiende eeuw.
Klassiekers uit de kunstwereld die graag tekende zijn bijvoorbeeld Leonardo da Vinci (1452-1519), Peter Paul Rubens (1577-1640), Edgar Degas (1834-1917) en Alphonse Mucha (1860-1939) . Aan het begin van twintigste eeuw trok het modernisme de tekening naar het heden en werd deze abstracter en grilliger in bijvoorbeeld het oeuvre van Egon Schiele (1890-1918), Paul Klee (1879-1940) en Pablo Picasso (1881-1973). Iets recenter hebben kunstenaars zoals Sol LeWitt (1928-2007) en Mel Bochner (1940) furore gemaakt met hun conceptuele benadering van de tekening. De mogelijkheid tot vrije expressie door middel van tekenen blijkt door de eeuwen heen, tot aan nu toe, niet aflatend.

Alexandra Roozen, ‘Zonder Titel’, 2007, 74 x 96 cm, €16,- p/m, WX7001

> Een greep uit de kunstenaars van de kunstuitleen collectie die tekeningen maken

Jan Börger (1929), Vanessa Jane Phaff (1965), Burgert Koonijnendijk (1947), Hélène Zielstra (1941), Henk de Looper (1931-1998), Jeanet Vermeer (1967), Otto Egberts (1949-2019), Matthijs Waardenburg (1963), Ewoud van Rijn (1967), Alexandra Roozen (1971), Joop van ‘t Hoenderdaal (1948), Catharina Bagijn (1941), Arno van Iperen (1942), Yvonne van de Griendt (1964), Harold Linker (1969), Kees Spermon (1941-1996), Anuli Croon (1964), Mathieu Ficheroux (1926-2003),  Ad Kikkert (1914-1995), Cora van Vliet (1955-2006), Frans Verschoor (1956), Willem Stoop (1951), Jan Grosfeld (1956), Noni Lichtveld (1929-2017), Loréne Bourguignon (1957), Jeanne Rombouts (1954), Cai Li (1943).

> Waar nog meer te vinden

Het Prentenkabinet van de Universiteit Leiden herbergt circa 12.000 tekeningen van Nederlandse oorsprong, daterend van 1500 tot nu. De collectie wordt via hun website ontsloten.

Internationaal bekeken heeft het Metropolitan Museum of Art in New York City een grote collectie van tekeningen (zo’n 21.000 stuks), die hun oorsprong vinden in Europa en Amerika, daterend van 1400 tot nu. Ook deze collectie wordt digitaal ontsloten via de website van het museum.

FacebookFacebook
instagraminstagram

Foto’s. We maken ze allemaal, soms wel dagelijks. Maar denk jij weleens écht na over de beelden die je maakt? Beeldend kunstenaar Risk Hazekamp daagt niet alleen jou en mij uit om eens stil te staan bij deze vraag. Als docent en analoog fotograaf plaatst Risk zichzelf regelmatig terug in de rol van student om zo op een onbevangen manier te onderzoeken. Het meest grensverleggende project van de afgelopen jaren, Unlearning Photography, is een prachtig fotografisch onderzoek naar de rol die cyanobacteriën en fotosynthese kunnen spelen in de analoge fotografie. 

Tekst en foto’s: Patrick Kooiman (Interiorator)

Risk Hazekamp, ‘Camisa’, 2002, 100 x 120 cm, €22,- p/m, I4X007

Ik ben toch wel heel benieuwd waarom je als analoog fotograaf onderzoek bent gaan doen naar cyanobacteriën!
Die stap kwam voort uit een groeiend ongemak met het medium fotografie. Ik werd me steeds bewuster van wat het inhoudt om analoog te fotograferen. Wanneer je voor de zoveelste keer jerrycans met chemisch afval naar het milieupark brengt, vraag je je toch weleens af: oei, is dit nu wel de manier waarop ik dit wil doen? Daarnaast voelde ik me steeds ongemakkelijker bij hoe normbepalend fotografie kan zijn. Het fotografische beeld bepaalt enorm hoe we kijken naar alles om ons heen. De manier waarop we ‘de ander’ waarnemen wordt mede bepaald door allerlei sociale en culturele constructies die we beeldend communiceren via foto’s. Je ziet dat tegenwoordig op social media, maar het is ook breed ingezet in historische contexten. Ik plaats vraagtekens bij hoe mensen worden neergezet en hoe mensen zichzelf tonen op foto’s. We zouden beter na kunnen denken over wat het betekent om een foto te maken. Kan je überhaupt een foto maken zonder normbevestigend bezig te zijn? In mijn werk ging het jarenlang over gender issues. Maar op het moment dat je die wilt belichten, zit je al gevangen in het binaire systeem. Je kunt niet anders dan het over mannelijkheid en vrouwelijkheid hebben en daarmee bevestig je datgene wat je probeert te ontkrachten. Om al dit ongemak met fotografie bespreekbaar te maken, had ik een veel radicalere stap nodig dan het te integreren in mijn bestaande manier van werken. Zo kwam ik op de vraag wat er zou gebeuren als ik niet met traditionele chemische materialen ging fotograferen maar met levende organismen. Op die manier kan ik zowel het toxische karakter als ook het categoriserende karakter van de analoge fotografie aankaarten. Door levende foto’s te maken kan ik ook uit handen geven wat er uiteindelijk getoond wordt. Niet ik, de menselijke maker, maar het organisme bepaalt het beeld. Nu denken we nog vaak bij een foto: ik ben de maker, ik wil precies laten zien wat ik denk, maar daardoor blijven we wellicht altijd op een bepaalde manier normbevestigend bezig. Wat zou er gebeuren als we voorbij het menselijke perspectief zou kunnen stappen?

Breeding Ground

Maar ben je dan nog wel aan het communiceren als je de boodschap aan het lot overlaat en organismen het resultaat van een foto laat bepalen?
We communiceren dan nog steeds, alleen begrijpen wij mensen dat wellicht niet meer. Het is een taal die ons niet eigen is. Of een taal die ons eigen was, maar inmiddels zijn we het vermogen daartoe verloren. Cyanobacteriën zijn de organismen die door middel van fotosynthese lang geleden onze atmosfeer zuurstofhoudend hebben gemaakt. Zij hebben daardoor enorm veel kennis over het leven. En daar kunnen wij van leren. Het is daarbij voor mij trouwens belangrijk om die organismen niet te behandelen als de zoveelste natuurlijke bron die we kunnen exploiteren. We moeten ons niet afvragen wat we er allemaal mee kunnen doen of wat we eruit kunnen halen. Het is natuurlijk geweldig dat we er biobrandstoffen en bioplastics mee kunnen maken, maar dat functionele aspect is voor mij minder interessant. Het gaat mij er niet om organismen zo productief mogelijk te maken om ze erna af te voeren of te recyclen. In laboratoria zie nauwelijks oude organismen, maar hier in mijn atelier zorg ik inmiddels al een paar jaar voor ‘oude culturen’. Dan worden ze zwak en denken mensen: oh, die leven niet meer, maar wat ze bedoelen is dat ze niet meer productief zijn.

Hoe kom je als beeldend kunstenaar eigenlijk aan cyanobacteriën?
Door mijn onderzoek ben in contact gekomen met Photanol, een start-up in Amsterdam die bioplastics maakt met cyanobacteriën. Ik heb een buisje cyanobacteriën in mijn zorg gekregen en heb met hen een ‘more-than-human’ collectief gevormd in mijn studio. Wat in het begin vooral veel observeren en leren inhield: Hoe zien ze eruit? Wat gebeurt er als ik ze verplaats? Op welke manier vlokken ze samen?

Risk Hazekamp, ‘Sit with the Contradiction: Fuck Trump!’. Organische fotografie experiment met emulsie gemaakt van cyanobacteriën. Ontwikkeltijd: één middag in fel zonlicht.

Om dit proces nadien aan anderen te laten zien heb je wel weer traditionele fotografie nodig. Is dat niet tegenstrijdig?
Dat is het ook! Het documenteren ervan staat absoluut haaks op het hele concept. Wat ik probeer is voorbij te gaan aan het reproduceren van een beeld. Mijn streven is het juist om de cyanobacteriën zelf een beeld te laten creëren. Laatst zei iemand tegen me: als je het over fotografie wilt hebben, hoef je niet per se een foto te maken. Dat kan ook met andere media of in andere vormen. Ik vond dat in zijn simpelheid zo’n prachtige uitspraak. Ik vind het ook een steeds interessanter vraagstuk: hoe kan ik fotograferen zonder een foto te maken?

Maar wat is dan uiteindelijk de definitie van een foto?
Daar ga ik geen antwoord op geven. De vraag moet blijven bestaan omdat het antwoord moet blijven veranderen. Probeer het niet te pakken, want dan gaat het mis. Het is veel interessanter om de complexiteit van de dingen te omarmen. Dat is een fundament waarop ik sta.

Risk Hazekamp, ‘Tell The Girls I’m Back In Town’, 2000, 32 x 42 cm, €6,- p/m, I4X005

Kunstuitleen Rotterdam heeft meerdere werken van je in de uitleencollectie. Wat kun je erover vertellen?
De werken bij de Kunstuitleen zijn oudere werken van me. Tell The Girls I’m Back In Town is een foto die in de Amerikaanse buitenlucht lijkt te zijn gemaakt, maar toch in een studio in Rotterdam-West tot stand kwam. Ik heb in de studio een dia geprojecteerd, waarbij het leek alsof ik in een groots landschap stond. Wat me destijds irriteerde, was dat we als mensen alles maar visueel willen ordenen en vervolgens aannemen dat we begrijpen wat we zien. Terwijl het vaak veel logischer zou zijn om vragen te stellen over wat je ziet. Dat is ook zo met mijn eigen trans-identiteit. Vraag er naar en dan probeer ik het uit te leggen voor zover ik dat kan. Bij een ander werk in de collectie, Caballero, bevind ik me wel degelijk op locatie vlakbij Monument Valley in New Mexico. Ik had daar een oude ansichtkaart bij me, die ik in de foto vasthoud in mijn hand. Zo ontstond er een soort loop in de tijd. Hoe jij de tijd ervaart, is gerelateerd aan je eigen lichaam. Locatie en tijd ervaren we subjectief, we zien vanuit ons éne kleine perspectiefje de wereld om ons heen. Dat merk je bijvoorbeeld al wanneer je in gesprek bent met iemand uit een andere generatie. In de foto ligt ook een pakje Caballero-sigaretten. Die rookte mijn vader altijd. Na zijn overlijden in 2001 heb ik een slof van zijn sigaretten bewaard. Het logo van Caballero past ook weer perfect in het landschap. Het was op dat moment mijn waarheid, één van de vele miljarden waarheden die op onze wereld leven.

Wat vind je ervan dat iedereen de laatste jaren fotografeert? Is een foto nog wel wat waard als er zoveel zijn?
Ja zeker, kwantiteit en kwaliteit staan niet altijd causaal met elkaar in verband, zeker niet bij digitale fotografie. Dat iedereen communiceert met foto’s neemt niks weg van fotografie als medium binnen de kunst. Iedereen mag ook tekeningen maken, dat is toch prima? Ik denk dat het juist goed is om jonge mensen te leren met beeld te communiceren. Want waarom zou je dat op school niet leren net als taal- en rekenles?

Wat maakt analoge fotografie voor jou zo interessant?
In tegenstelling tot wat sommige andere fotografen beweren, vind ik dat analoog foto’s maken en afdrukken helemaal niet zo ingewikkeld is. Je kunt het overal doen, ik heb bijvoorbeeld in hotels de badkamer omgebouwd tot doka. Iedereen doet net alsof het een magisch procédé is. Ik zou zeggen, ga vooral lekker experimenteren en leer wat je eruit wilt halen. Ik ben altijd ontzettend jaloers op studenten die voor het eerst een doka in gaan. Dat is precies de houding die ik ook wil hebben. Het niet-weten, die verwondering… dat is toch het mooiste wat er is?

Lees hier meer over het onderzoeksproject ‘Unlearning Photography’ van Risk Hazekamp aan het Centre of Applied Research for Art, Design and Technology van de Avans University of Applied Sciences.

FacebookFacebook
instagraminstagram

Onze collectie bestaat uit ruim 8000 kunstwerken. Je kan de beschikbare kunstwerken op onze online catalogus en in de expo bekijken. Elke maand lichten we hier een techniekgroep uit om wat meer verdieping aan het kunstkijken toe te voegen. Deze maand bekijken we de fotografie.

Hans Wilschut, ‘Forefront’, 2004, 125 x 181 cm, €30,- p/m, VCI007

De uitvinding van de fotografie wordt over het algemeen toegedicht aan de fransman Nicéphore Niépce (1765-1833) omdat hij circa 1826 het uitzicht vanuit zijn huis wist vast te leggen. Dit was – zo ver wij dat nu weten – de eerste keer dat een foto op een permanente drager over gebracht werd. Voor deze tijd werd het principe van de fotografie op een niet-permanente manier toegepast: door het gebruik van de camera obscura. Deze lichtdichte doos met lens kan een tafereel op een muur of canvas projecteren. Kunstschilders maakten al vanaf halverwege de 16e eeuw dankbaar gebruik van dit hulpje, om bijvoorbeeld de verhoudingen en proporties in hun schilderijen correct af te beelden, door over de projectie te tekenen of te schilderen.

Nadat Niépce ontdekte hoe zo’n projectie als foto vastgelegd kon worden, werd de fotografie alsnog lange tijd niet serieus genomen, door de kunstwereld, als een op zichzelf staande kunstvorm. Het bleef vooral gezien worden als hulpmiddel voor ‘echte’ kunstwerken zoals schilderijen en sculpturen, of als illustraties in magazines en kranten.
Wat hier ook niet bij helpt is dat de fotografie het juk van ‘dé waarheid’ met zich mee draagt. Het lijkt namelijk alsof foto’s een directe afspiegeling van onze werkelijkheid zijn, simpelweg omdat dit is wat ze verbeelden, maar niets is minder waar. Alleen al door het kaderen van een tafereel creëert de fotograaf een beeld met eigen visie op de werkelijkheid: denk aan het maken van een compositie en wat binnen maar juist ook buiten het beeld valt. De mogelijkheid tot het manipuleren van foto’s in de donkere kamer, met Photoshop of met filters op smartphones en social media zorgen alleen nog maar meer voor creativiteit en subjectiviteit. Zodoende kan er een éigen waarheid gecreëerd worden.

Muur vol fotografie in de expo ruimte.

Halverwege de 20ste eeuw had de fotografie eindelijk een beetje aanzien verworven, maar dan wel alleen de zwart/wit fotografie. Kleurfotografie was nog absoluut not done in die periode in de kunstwereld. Totdat fotografen zoals Joel Meyerowitz (1938), Stephen Shore (1947) en William Eggleston (1939) in de jaren ’60 langzaam maar zeker furore maakte met hun gebruik van kleurfotografie. Zij wisten alledaagse taferelen te vangen in hun prachtige en kleurrijke banaliteit.

Hannes Wallrafen, ‘Istanbul het Hotel’, 1988, 50 cm x 60 cm, €6,00 p/m, G8Q002

In de afgelopen eeuw is de fotografie gedemocratiseerd en ondertussen niet meer weg te denken uit ons dagelijks leven, het is werkelijk overal. Kodak zorgde er vanaf de jaren ’30 actief voor dat iedereen een betaalbare camera met film kon gebruiken. De digitale fotografie kwam op in de jaren ’80 en de smartphones in de jaren ’00 van deze eeuw. Eigenlijk kan nu iedereen het uitzicht vanuit huis vastleggen. Best opmerkelijk voor een kunstvorm die nog geen twee eeuwen oud is.

Kees Molkenboer, ‘Bep van Klaveren ’56 nr. 29470’, 1956, 58 x 50 cm, €6,00 p/m, G8Q002

> Een greep uit de kunstenaars van de kunstuitleen collectie die met fotografie werken
Bas Princen (1975), Hans Wilschut (1966), Gerco de Ruijter (1961), Frits Rotgans (1912-1978), Regina Kelaita (1979), Stefanie Schneider (1968), Teun Hocks (1947), Rommert Boonstra (1942), Esther Kroon (1966-1992), Henk Tas (1948), Marrie Bot (1946), Peter Redert (1948), Steef Zoetmulder (1911-2004), Ben Schot (1953), Kees Molkenboer (1907-1987), Hans Withoos (1962), Risk Hazekamp (1972), Marie Louise Elshout (1967), Eric van der Schalie (1954-2015), Wim Bosch (1960), Jeroen Bodewits (1971-2014), Huub Schilte (1953) & Jacqueline Portielje (1958), Ine Lamers (1954), Maarten Wetsema (1966), Peter Martens (1937-1992), Annette Kisling (1965), Marijn de Jong (1975), Ann Pettersson (1965), Thomas Florschuetz (1957), Bob van Dam (1928-2002), Cas Oorthuys (1908-1975), Arthur Kleinjan (1970), Boris Becker (1961), Rogier Maaskant (1971), Stacii Samidin (1987), Bart Kemps (1972), Martin Luijendijk (1958), Esther Kokmeijer (1977), Thomas Neumann (1975), Regina Kranendonk (1960), Ayatollah Musa (1979), Otto Snoek (1966), Ineke Hauer (1951), Frank Hanswijk (1971).

> Waar nog meer te vinden
Het Nederlands Fotomuseum op de Kop van Zuid in Rotterdam beheert het erfgoed van veel bekende Nederlandse fotografen en maakt deze collectie toegankelijk voor het publiek in zo wel het museum als op hun website.

FacebookFacebook
instagraminstagram

Kunst maken is niet alleen een kwestie van inspiratie en ideeën. Ook de techniek bepaalt natuurlijk hoe geslaagd een werk uiteindelijk is. Om dat aspect eens verder uit te diepen, gaat Kunstuitleen Rotterdam dit voorjaar elke maand een andere techniekgroep in het zonnetje zetten. Hartstikke leuk natuurlijk, want met wat kennis over hoe kunst gemaakt wordt, is de drempel om zelf aan de slag te gaan hopelijk ook weer wat lager. De eerste expositie, die tot eind januari te zien is, gaat over collages en assemblages. Daarnaast kun je ook veel van dit soort werken lenen. Eén van de meest opvallende is van Sanne van Gent – en dus ging Patrick Kooiman in het kader van de reeks Thuis in techniek op de koffie bij deze bijzondere kunstenaar.

Tekst en foto’s: Patrick Kooiman (Interiorator)


Sanne, hoe ben je ooit begonnen met het maken van collages?
Dat is niet zomaar uit de lucht komen vallen! Je bent hier in de Hoeksche Waard, het eiland waar ik vandaan kom en waarnaar ik ben teruggekeerd nadat ik ben afgestudeerd aan de Willem de Kooning Academie. Rotterdam vond ik fantastisch, maar ik wilde terug naar mijn roots omdat ik de lucht en het landschap hier miste. De natuur is sowieso een belangrijk thema in mijn werk. Het gaat er dan specifiek om hoe je de natuur kunstmatig kunt maken, maar ook hoe je andersom kunstmatigheid er weer natuurlijk uit kunt laten zien. Dat ging destijds allemaal niet heel bewust, ik deed simpelweg wat ik interessant vond. Dan filmde ik bijvoorbeeld schimmels met gekke kleuren die groeiden op stenen direct aan de rivier. Ik maakte de schimmels vervolgens zelf na en legde ze over de echte schimmels heen.

Pas in het laatste jaar van mijn studie ging ik collages maken. Toen ik een keer thuis was, vond ik een boek uit mijn jeugd terug: De wonderen van de wereld van Walt Disney. Ik herinnerde me ineens dat ik de dieren in dat boek zadeltjes had gegeven, alsof ze onderdeel van een carrousel waren. Eigenlijk was ik toen al bezig met het aanpassen van de natuur. Ik raakte erdoor geïnspireerd en ging over bestaande afbeeldingen in boeken heen schilderen. Later ging dat verder en begon ik delen uit de boeken te knippen om er collages mee maken. Dat begon heel simpel, maar al snel werd alles steeds complexer. Mijn eindexamenwerk was een enorm landschap dat was opgebouwd uit een enorme hoeveelheid bestaande foto’s van landschappen van over de hele wereld. Dat zie pas als je er dicht op staat, van een afstand lijkt het één geheel.

Maar hoe kom je dan aan al die verschillende foto’s?
Ik vind ze met name in kringloopwinkels, vaak in verouderde landschapsboeken die toch niemand meer wil hebben. Maar ik kocht ook laatst een prachtig oud boek met alleen maar afbeeldingen van kandelaren. Geen idee wie daar nog in geïnteresseerd is, maar voor mij is het ideaal. Het maakt me niet uit of een boek gedateerd is. Sterker nog, ik vind het wel fijn. Vroeger was de drukkwaliteit veel beter en gebruikten ze prachtig dik papier.


Zo’n afbeelding uit een boek moet wel precies het juiste formaat hebben om aan te sluiten op de andere delen van een collage! Kwam je nooit in de verleiding om alles te scannen en dan stiekem een beetje aan te passen in Photoshop?
Nee, om de simpele reden dat ik dat destijds helemaal niet kon. Dat is al gelijk een praktische beperking. Nu zou ik dat wel kunnen, maar wil ik niet al mijn afbeeldingen in Photoshop tot één enkel werk maken. Dat wordt gewoon te plat. Als je dicht op mijn werk staat, wil ik dat je ziet dat alles door mensenhanden geknipt en geplakt is. Wat ik overigens wel doe, is tussendoor foto’s maken van de verschillende combinaties van beelden die ik maak. Zo kan ik kiezen uit verschillende versies voordat ik echt ga lijmen.


Hoe hebben je collages zich ontwikkeld in de loop van de jaren? 
Een tijdlang was ik er enorm op gebrand om al die bestaande afbeeldingen perfect op elkaar aan te laten sluiten. Daar ging zoveel tijd in zitten! Daarnaast vond ik het belangrijk om niet over het randje van kitsch te schieten. Ik merkte ook dat het maken van collages op een gegeven moment als een trucje ging voelen. Dan zit er geen ontwikkeling meer in en verliest het zijn kracht. Mijn latere collages zijn abstracter geworden. Dat levert een veel interessanter beeld op. Ik ging ook steeds meer eigen foto’s gebruiken in mijn werk.

Wat mij daarnaast heeft geholpen, is dat ik er een tijdje uit ben geweest. Ik kreeg een kind en ging lesgeven op een middelbare school. Ook heel dankbaar en inspirerend werk trouwens! Nu gebruik ik het maken van collages als een soort schetsproces. Zo ben ik nu vormen aan het uitknippen en combineren die schetsen vormen voor wat hopelijk ooit echte sculpturen worden. Het hoeft in dit stadium ook niet letterlijk zo te worden als op de collages. Er zitten bijvoorbeeld beelden van mensenhaar of van rook tussen. Dat is in het echt natuurlijk niet te realiseren, maar dat maakt in dit stadium niet uit. De thema’s in mijn werk blijven wel steeds dezelfde: hoe de mens sporen achterlaat in de natuur en alles naar zijn hand zet, maar ook andersom: hoe de natuur zich steeds aanpast of juist onveranderd blijft en het contrast dat dit oplevert.

Sanne van Gent, ‘Landscape II’, 2007, collage op papier, 70 x 116 cm, GNT001

Je werk is te leen bij Kunstuitleen Rotterdam. Wat kun je erover vertellen?
Eén van de werken heet ‘Landscape II’ en het is één van mijn universumwerken, een op zichzelf staande wereld die aan de ene kant is verbonden met de onze, maar aan de andere kant ook science fiction is. Het bestaat uit afbeeldingen uit verschillende boeken, maar de lucht erboven is een enorm uitvergrote kopie van een foto van de lucht. Als je goed kijkt, zie je het levendige van de printer erin. Ik zei vroeger vaak bij de copyshop, het moet niet te mooi worden hoor! Juist wanneer de inkt bijna op is, krijgt een print iets eigens. Niet alles moet perfect zijn, anders wordt het zo hetzelfde.

FacebookFacebook
instagraminstagram